Redelijk en billijk

Lindenbaum/Cohen
Met het jaar 2019 ‘bestaat’ het Lindenbaum/Cohen-arrest 100 jaar. Een norm uit het hart.
Lindenbaum/Cohen 1.0. Voorheen was er pas sprake van vormen van aansprakelijkheid uit een onrechtmatige daad en onrechtmatig nalaten als er een letterlijke inbreuk was op het beschrevene in de wet (een norm uit het hoofd: 0.0). Het arrest voegde daar termen als maatschappelijke betamelijkheid en naar redelijkheid en billijkheid aan toe. Na dit arrest konden voortaan ook handelingen, die ingingen tegen de zorgvuldigheid die men in het maatschappelijke verkeer tegen andermans goederen moest hebben, als onrechtmatig doen of laten worden aangeduid. Voortaan kon men ook op grond van een ongeschreven rechtsplichtbuiten een contractsbepaling of een toepasselijke wettelijke regeling, aansprakelijk worden gehouden voor schade. Bij annotatie bij het arrest werd destijds gesteld dat er van het arrest een heilzame werking, uitging. Tot en met in de codificatie van artikel 6:162 BW:
1.
Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
2.
Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
3.
Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.